|
|
|
Basisontwikkeling in de groepen 1 t/m 4 en thematisch zaakvakkenonderwijs in de groepen 5 t/m 8 Basisontwikkeling De theorie Als we naar jonge
kinderen kijken hoe de ontwikkeling verloopt, kunnen we al veel zien door het
spel van het kind te observeren. Spelen is één van de belangrijkste manieren om
tot ontwikkeling te komen en dus ook te leren. In de
binnenste cirkel staan de basiskenmerken, die tevens ook de doelen kunnen
zijn. Een kind kan zich pas goed ontwikkelen als: In de middelste cirkel zien we de persoonlijkheidsontwikkeling beschreven: actief zijn, uiten en vorm geven – communiceren, de wereld verkennen, voorstellingsvermogen en creativiteit, samen spelen en werken, zelfsturing, zelfstandigheid, reflecteren, redeneren en probleem oplossen. In de buitenste cirkel zien we de gebieden van de specifieke kennis en vaardigheden: woorden en begrippen, waarnemen en ordenen, motorische vaardigheid, hoeveelheden en bewerkingen, gereedschappen en technieken, sociale vaardigheid, schematiseren en symboolvorming, geschreven en gedrukte taal.
Wat betekent dit nu voor het jonge kind? Wil een kind tot
goede activiteiten en prestaties komen dan zal het zich lekker in zijn vel
moeten voelen (binnenste cirkel). In de middelste cirkel komt de brede
ontwikkeling aan de orden; het aanbod wat de leerkracht geeft moet van kwaliteit
zijn om de kinderen te stimuleren tot activiteit en opdoen van ervaringen. Ze
moeten samen kunnen werken, communiceren en verantwoordelijkheid kunnen dragen. De praktijk In de praktijk betekent dit dat er in alle groepen met thema's, die ongeveer 6 tot 8 weken duren, wordt gewerkt. In de onderbouwgroepen (1 t/m 4) worden alle activiteiten aangepast aan deze thema's. De begeleiding van de kinderen door de leerkrachten heeft als doel het verbeteren van de interactie met en door kinderen binnen deze activiteiten. In de kleutergroepen worden ook de taal-, reken- en schrijfactiviteiten hierop afgestemd. In de groepen 3 en 4 vinden in de ochtenduren de taal-, reken- en schrijfactiviteiten volgens de reguliere methodes plaats. In de middaguren worden deze activiteiten ook betrokken binnen het thema. In de bovenbouwgroepen zien we het werken met thema's vooral terug binnen het zaakvakkenonderwijs: de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkennis worden niet meer als aparte vakken gegeven, maar aangeboden binnen een thema. In de onderbouw zien we in het klaslokaal heel duidelijk met welk thema er op dat moment gewerkt wordt. We zien dit aan de verschillende ingerichte hoeken, de diverse benamingskaartjes en hetgeen aan de muren is opgehangen. Binnen het onderwerp van het thema wordt regelmatig buiten de school gekeken: de kinderen gaan dan op excursie. In de groepen 1 t/m 4 zien we in alle groepen diverse nieuwe activiteiten terug. We zien het vertelkastje, de verteltafel en het werken in de kleine kring. Het vertelkastje
De kinderen beluisteren in tweetallen een aantal keren het verhaal bij een
prentenboek, terwijl zij naar de platen kijken. De verteltafel De leerkracht leest een prentenboek voor, waarin veel dialoog zit. In eerste instantie leest zij voor aan de hele groep en vervolgens aan een klein groepje kinderen. Zij herhaalt deze voordracht met behulp van materialen als poppen, knuffels e.d. die het verhaal vertellen en uitbeelden. Gaandeweg kunnen de rollen van de poppen, knuffels overgenomen worden door de kinderen. Het is de bedoeling dat de kinderen zich de boekentaal eigen maken. Ook werken zij zo aan verhaalbegrip en samenwerken. De kleine kring In de kleine kring (4 tot 6
kinderen) wordt een boek of een thema aangeboden.Wanneer het een prentenboek betreft wordt dit prentenboek benaderd vanuit een
aantal invalshoeken, zoals deze door de leerkrachten van de groepen 1 t/m 3 zijn
afgesproken. Deze invalshoeken zijn allemaal gericht op verhaalbegrip en
verhaalbeleving. In de bovenbouw wordt een thema meestal aangesneden vanuit een inleidend verhaal, film of videofragment. Samen wordt er een woordveld m.b.t. het thema gemaakt. De subonderwerpen worden over diverse groepjes verdeeld en kinderen gaan hierna aan de slag. Zij zoeken zelf informatie op in ons documentatiecentrum, in meegebrachte boeken van thuis of uit de bibliotheek, via de computer (encarta of internet) of via ons documentatie-(centrum)programma. Uiteindelijk resulteert al het werk in een presentatie. Dit kan zijn: een muurkrant, een informatiezuil, een werkstuk, een computerpresentatie enz. Tegen het einde van de periode waarin het thema aan de orde is, geven de verschillende groepjes presentaties aan de klas en wordt er door de leerkracht een "proefwerk" afgenomen. In de bovenbouw worden de taal- en rekenlessen gegeven vanuit de bestaande taal- en rekenmethodes. |