Het onderwijs

Start
Omhoog
Taalonderwijs
Rekenonderwijs
B V L
S.E.O.
Techniek

 

Basisontwikkeling in de groepen 1 t/m 4  en thematisch zaakvakkenonderwijs in de groepen 5 t/m 8

Basisontwikkeling

De theorie

Als we naar jonge kinderen kijken hoe de ontwikkeling verloopt, kunnen we al veel zien door het spel van het kind te observeren. Spelen is één van de belangrijkste manieren om tot ontwikkeling te komen en dus ook te leren.
Kunnen en willen spelen is voorwaarde voor alle ontwikkeling. Op school is de leerkracht ervoor om de kinderen te helpen spelen en te leren spelen.
Binnen de BASISONTWIKKELING moet er op school een samenhangend geheel zijn tussen functieontwikkeling, persoonlijkheidsontwikkeling, verkenning van de wereld en een eerste kennismaking met enkele  vak- en vormingsgebieden. Dit wordt binnen de theorie van de basisontwikkeling gesymboliseerd in drie cirkels.

In de binnenste cirkel staan de basiskenmerken, die tevens ook de doelen kunnen zijn. Een kind kan zich pas goed ontwikkelen als:
het emotioneel vrij is, nieuwsgierig is en als het zelfvertrouwen heeft.

In de middelste cirkel zien we de persoonlijkheidsontwikkeling beschreven: actief zijn, uiten en vorm geven – communiceren, de wereld verkennen, voorstellingsvermogen en creativiteit, samen spelen en werken, zelfsturing, zelfstandigheid, reflecteren, redeneren en probleem oplossen.

In de buitenste cirkel zien we de gebieden van de specifieke kennis en vaardigheden: woorden en begrippen, waarnemen en ordenen, motorische vaardigheid, hoeveelheden en bewerkingen, gereedschappen en technieken, sociale vaardigheid, schematiseren en symboolvorming, geschreven en gedrukte taal.

 

Wat betekent dit nu voor het jonge kind?

Wil een kind tot goede activiteiten en prestaties komen dan zal het zich lekker in zijn vel moeten voelen (binnenste cirkel). In de middelste cirkel komt de brede ontwikkeling aan de orden; het aanbod wat de leerkracht geeft moet van kwaliteit zijn om de kinderen te stimuleren tot activiteit en opdoen van ervaringen. Ze moeten samen kunnen werken, communiceren en verantwoordelijkheid kunnen dragen.
Activiteiten moeten voor de kinderen zinvol zijn en betekenis hebben; de kinderen moeten zich betrokken voelen bij het aanbod .
Ook voor de oudere kinderen geldt dat eerst voldaan moet worden aan de voorwaarden in de binnenste en middelste cirkel voordat ze met goed succes zich betrokken kunnen voelen bij de aangeboden zinvolle en betekenisvolle activiteiten.

De praktijk

In de praktijk betekent dit dat er in alle groepen met thema's, die ongeveer 6 tot 8 weken duren, wordt gewerkt. In de onderbouwgroepen (1 t/m 4) worden alle activiteiten aangepast aan deze thema's. De begeleiding van de kinderen door de leerkrachten heeft als doel het verbeteren van de interactie met en door kinderen binnen deze activiteiten. In de kleutergroepen worden ook de taal-, reken- en schrijfactiviteiten hierop afgestemd. In de groepen 3 en 4 vinden in de ochtenduren de taal-, reken- en schrijfactiviteiten volgens de reguliere methodes plaats. In de middaguren worden deze activiteiten ook betrokken binnen het thema.

In de bovenbouwgroepen zien we het werken met thema's vooral terug binnen het zaakvakkenonderwijs: de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkennis worden niet meer als aparte vakken gegeven, maar aangeboden binnen een thema.

In de onderbouw zien we in het klaslokaal heel duidelijk met welk thema er op dat moment gewerkt wordt. We zien dit aan de verschillende ingerichte hoeken, de diverse benamingskaartjes en hetgeen aan de muren is opgehangen. Binnen het onderwerp van het thema wordt regelmatig buiten de school gekeken: de kinderen gaan dan op excursie.

In de groepen 1 t/m 4 zien we in alle groepen diverse nieuwe activiteiten terug. We zien het vertelkastje, de verteltafel en het werken in de kleine kring.

Het vertelkastje

De kinderen beluisteren in tweetallen een aantal keren het verhaal bij een prentenboek, terwijl zij naar de platen kijken.
Diezelfde platen zijn gemaakt voor het vertelkastje. Dit is een fraai uitgevoerd kastje dat op een tafeltje staat, waarvan de deurtjes geopend kunnen worden, waardoor er een plaat zichtbaar wordt. Deze plaat kan weggeschoven worden, waarna de volgende zichtbaar wordt.Wanneer de kinderen het verhaal voldoende hebben leren kennen, gaan zij het verhaal aan de hand van de platen vertellen. Op deze wijze kunnen zij het verhaal presenteren aan andere kinderen van de groep. Zij werken zo aan verhaalbegrip, formuleren en samenwerken.

De verteltafel

De leerkracht leest een prentenboek voor, waarin veel dialoog zit. In eerste instantie leest zij voor aan de hele groep en vervolgens aan een klein groepje kinderen. Zij herhaalt deze voordracht met behulp van materialen als poppen, knuffels e.d. die het verhaal vertellen en uitbeelden. Gaandeweg kunnen de rollen van de poppen, knuffels overgenomen worden door de kinderen. Het is de bedoeling dat de kinderen zich de boekentaal  eigen maken. Ook werken zij zo aan verhaalbegrip en samenwerken.

De kleine kring

In de kleine kring (4 tot 6 kinderen) wordt een boek of een thema aangeboden.Wanneer het een prentenboek betreft wordt dit prentenboek benaderd vanuit een aantal invalshoeken, zoals deze door de leerkrachten van de groepen 1 t/m 3 zijn afgesproken. Deze invalshoeken zijn allemaal gericht op verhaalbegrip en verhaalbeleving.
Wanneer een thema wordt aangeboden, gebeurt dit met een gerichtheid op veel interactie.
De kleine kring wordt gekozen voor deze activiteiten, omdat de betrokkenheid in zo ’n kleine bezetting het grootst is.

In de bovenbouw wordt een thema meestal aangesneden vanuit een inleidend verhaal, film of videofragment. Samen wordt er een woordveld m.b.t. het thema gemaakt. De subonderwerpen worden over diverse groepjes verdeeld en kinderen gaan hierna aan de slag. Zij zoeken zelf informatie op in ons documentatiecentrum, in meegebrachte boeken van thuis of uit de bibliotheek, via de computer (encarta of internet) of via ons documentatie-(centrum)programma.

Uiteindelijk resulteert al het werk in een presentatie. Dit kan zijn: een muurkrant, een informatiezuil, een werkstuk, een computerpresentatie enz. Tegen het einde van de periode waarin het thema aan de orde is, geven de verschillende groepjes presentaties aan de klas en wordt er door de leerkracht een "proefwerk" afgenomen.

In de bovenbouw worden de taal- en rekenlessen gegeven vanuit de bestaande taal- en rekenmethodes.